Artikelen

De grijze gang

De grijze gang
Hoe leeft men met elkaar naar de eindstreep toe? De gang van het tehuis als straat van het bejaarde leven.
HP, februari 1990
Lees het hele artikel over de grijze gang

Opgeruimde pianoklanken komen me tegemoet als ik op een woensdagochtend het Haagse verzorgingscentrum Bezuidenhout binnenga. In de koffiekamer heerst een opvallend montere stemming: hoewel de winter nog op gang, moet komen, worden de honderd bewoners hier vanmorgen vergast op het programma Frühling in Wien – een potpourri van ’onvergetelijke operette–melodieën’. Terwijl een geoefend pianist zich op het kleine podium de vingers warm speelt met wat lichte deuntjes, rollen of schuifelen de meer– en mindervaliden naar hun vaste plaats aan hun vaste tafeltje .

Om klokslag tien bijt een hoogblonde sopraan in blauwbrokaten . avondtoilet (’Wel wat vroeg voor zo’n jurk, maar als ik in m’n duster was gekomen hadden jullie ook raar opgekeken’) de spits af met een klaterende ode aan Wenen; de schalen met cake hebben alle tafeltjes dan nog lang niet aangedaan en ook het rolstoelverkeer is nog niet tot stilstand gekomen. Het duurt dan ook geruime tijd voordat iedereen bij de les is, maar tegen de eerste pauze, als een zwaarverkouden bariton inzet met de strofen Einmal oben, einmal unten – einmal Freude, einmal Leid, kun je een speld horen vallen. De witgekuifde heer die dan nog binnen durft te stommelen, vriendelijk om zich heen wuivend als een verdwaalde Sinterklaas, ziet zijn zonnig humeur beantwoord met een zuur ssst–gesis van zijn tafeldames. Het lijkt hem niet te deren. Zijn glimlach ligt in zijn gezicht gebeiteld, als het nagelaten spoor van zijn illusies.

Een van de weinige afwezigen bij dit evenement is de heer Prosman van de vierde etage.’Dat noemt u een concert?’ zegt hij knorrig, als hij me binnenlaat in zijn schaars gemeubileerde kamer. ’Mens, schei uit, ik kon het hier helemaal horen – het ging me door merg en been.’ Voor hem hoeft het allemaal niet: het concert niet, het bejaardenhuis niet, niks niet. ’Ik had nog liever mijn poten gebroken dan dat ik hier terecht was gekomen. Ben je hier ’s nachts al eens geweest? Moet je eens op mijn kamer komen liggen, dan ga ik wel in de logeerkamer. Kan je horen wat een klereherrie het buiten is. Je moet wel imbeciel zijn om zo’n huis als dit aan een verkeersweg te bouwen. Na zes uur ’s ochtends doe je geen oog meer dicht.’

 

Hij schuift met een verongelijkte ruk de vitrage opzij. ’Hier. Daar heb je m’n uitzicht. Zo’n rot rooie koolgebouw. Hoe kènnen ze het bouwen, hè?’ Het World Trading House aan de overkant ligt met z’n donkerrood front en getinte ramen inderdaad nogal lelijk te wezen, maar al was het beeldschoon: zo’n symbool van macht en dynamiek kan nooit het ideale decor zijn voor wie zich bijna aan de eindstreep weet. ’Ik heb twee jaar geleden al om een kamer aan de achterkant gevraagd,’ moppert meneer Prosman verder, ’maar ik denk dat ze het vergeten zijn. En ik ga niet op m’n knieën liggen, dat verdom ik.’

Hij is hier in 1987 komen wonen, kort na de opening. Hij had z’n vrouw dood op het toilet gevonden – dat gaf voor hem de doorslag. ’Ik zeg tegen m’n zoons: laat me nou maar opnemen, m’n leven is nou toch voorbij.’ Hij strijkt met z’n hand over de kale keukenhanddoek die als placemat dienst doet. ’De dokter heeft jaren geleden al tegen me gezegd: ’Je mag alleen eten wat je maag verdraagt.’ Nou, dan moet je net hier terechtkomen. Ik krijg die rauwe groenten niet door m’n strot.


’Er zijn hier wel een paar kliekjes, maar wie daar niet bijhoren, zitten de hele dag alleen op hun kamer – die zien niemand.’


En vis eet ik hier ook niet. Dan zit er zo’n zwart gleuffie achter die kop, met vuile rotzooi d’r in – die blubber moet ik niet. Weet je wat we zondag gegeten hebben? Schenkel met been. Soepvlees! Dan geven ze d’r een buitenlandse naam aan en dan lijkt het nog heel wat. Vorige week is de kok bij me komen vragen wat ik met m’n verjaardag wilde eten; dat is hier de gewoonte. Ik zeg: ’Je kan je eten houen; ik haal een blik bruine bonensoep bij Albert Heijn.’
Mevrouw Kulk is de buurvrouw van de heer Prosman. Dat haar etage hem een ouwe zeurpiet vindt, laat haar koud. ’Ik heb een fijne buurman aan hem. Als er wat is, hoef ik maar één keer op de muur te tikken of hij komt al.’
Ze zit in een rolstoel en heeft er een hekel aan voor ieder wissewasje een verzorgster te roepen. Met haar buurman ligt het anders – die vindt het gewoon leuk. ’ Tegen de tijd dat het middageten wordt rondgebracht, komt hij even mijn bordje hier klaarzetten.
Hij haalt het ook weer weg. Hij brengt me iedere dag de krant en dan zeg ik: ’Moet u niks drinken?’ Maar dat wil hij nooit. Hij is altijd zo weer weg. Hij komt ’s avonds de lampen bij me aandoen en als ik klaar ben om naar bed te gaan tik ik op de muur: dan komt hij ze weer uitdoen. Hij stopt ook altijd m’n kussentje onder mijn achterste, zodat ik lekker lig; en dan gaat hij verder weer. Ik zeg weleens: ’Verg ik niet te veel van u?’ Dan zegt hij: ’Loop ik in de weg dan?’ Ja, zo is hij. Hij is een beetje bars. Ik zou weleens wat terug willen doen, maar hij slaat alles af. Ik heb mijn dochter een keer een mooie das voor hem laten meebrengen. Toen zei hij: ’Daar heb ik er 24 van.’ Hij wou hem niet aanpakken.’ Haar dochter, die op visite is, heeft er wel een theorie over: ’Als oude mensen zo moeilijk doen, denk ik altijd: ze hebben het gewoon moeilijk met zichzelf. Ze zijn van binnen pisnijdig omdat ze in zo’n situatie zijn geraakt – afhankelijk, gebrekkig, eenzaam. En dan gaan ze maar op de omgeving kankeren, omdat ze die agressie toch ergens kwijt moeten.’
Afgezien van haar buurman, gaat mevrouw Kulk met niemand in huis om. ’Ik ben nog nooit bij iemand binnen geweest. Dat gaat ook moeilijk, met die rolstoel, maar ze komen ook nooit bij mij. Ik weet niet hoe dat komt. Er zijn hier wel een paar kliekjes, dacht ik: mensen die met elkaar hebben aangepapt en van alles samen doen. Maar wie daar niet bij horen, zitten de hele dag alleen op hun kamer – die zien niemand.’ Zij moet de gezelligheid vooral van haar kinderen hebben. Ze zou wel willen dat ze een beetje langer bleven, als ze er eenmaal waren. ’Maar ze zijn altijd zo weer weg. Aan een echt gesprek kom je nooit toe.’ Haar dochter staat op en gaat het vaatje doen. Ze heeft dit vaker gehoord.

Op mijn zwerftocht over de grijze gang stuit ik opvallend vaak op een mij vriendelijk toeknikkend vrouwtje, dat altijd op weg is naar de lift. Zij beweegt zich voort achter een loopfiets – bestaande uit een soort fietsframe, dat aan de onderkant uitmondt
in een driehoek op wieltjes – en ook uit de versheid van haar permanentje spreekt een taaie levenswil. Die indruk blijkt juist: mevrouw Taal is voorzitster van de Bewonerscommissie en als zodanig voorvechtster van het algemeen belang. Klachten en problemen komen via haar in de directeurskamer terecht (’Ik zit hier niet voor mezelf, ik zit hier voor de bewoners!’).
Zij is in alle opzichten de tegenpool van haar licht humeurige etagegenoten. ’Het zit allemaal in de mensen zelf,’ is haar commentaar op het duo Prosman en Kulk. ’Sommigen weten er echt niks van te maken. Ik ga zelf heel goed om met twee of drie dames van de gang en met de rest ben ik niet dik bevriend, maar als ik ze tegenkom maak ik een praatje. Dat is toch niet zo moeilijk? Je moet zorgen dat je met niemand ruzie krijgt, dat kan nou eenmaal niet: als je met z’n allen onder één dak woont, moet je het samen zien te rooien.’ Wat haar betreft zouden de mensen hier best iets gemoedelijker met elkaar mogen omgaan. Niet zo houterig – een beetje meer ’als familie’.

’Al die dingen waar ik me druk om heb gemaakt, mijn carrière, sex: wat een kinderspel was het eigenlijk.’

Aan de andere kant – dat samenklitterige gedoe van ’de klaagmuur’ hoeft voor haar ook weer niet. De klaagmuur?
’Ach ja, zo noem ik dat. Beneden naast de ingang zit ’s middags altijd een stelletje vrouwen te klessebessen – voor mij is het puur roddelen. Je voelt je van top tot teen bekeken, als je daar langs loopt. Je hoort ze gewoon denken: ’Waar zou die heen gaan, ze zal toch niet ... ?’ Ik probeer me er niets van aan te trekken, maar je voelt het. Een mevrouw die pas op onze gang is komen wonen, zei tegen me: ’Als ik vroeger mijn huisdeur uitliep, zag niemand me. Nu zijn er minstens zes paar ogen op me gericht.’ Maar daar doe je niets aan; je kunt het ze moeilijk verbieden.’
De voorzitster wil zichzelf niet op de borst slaan, maar zij gaat van nature goed met de mensen om.
’Toen mijn buurvrouwtje hier ziek kwam te liggen, heb ik haar wekenlang verzorgd. Niet dat dat nodig was, want de verzorging is hier prima en ze had voor hetzelfde geld naar de ziekenboeg beneden gekund. Maar dat hoeft toch niet, als ik er nou pal naast woon en maar drie stappen hoef te verzetten om haar een zakje ijsklontjes of een beetje water te brengen?’
Ze had er een dagvulling aan en ze heeft er nog steeds veel weet van dat het vrouwtje vorige maand is overleden. ’Je gaat je aan zo iemand hechten, hè? En het lijkt wel of ze het erom doen, maar het is de laatste tijd iedere keer raak op deze gang. In één kamer zijn er achter elkaar drie overleden. We noemen het nou al de griezelkamer, want het is toch een eng idee. Deze week ging er weer iemand: een man die hier net zes weken geleden met zijn zus was komen wonen. Ze hadden twee kamers, die griezelkamer en een slaapkamer. Die zus verzorgde haar broer al jarenlang, dus daarom kwamen ze hier met z’n tweeën. Blijft die broer ineens dood, terwijl ze even voor controle naar het ziekenhuis zijn!’ Ze kan het ook niet helpen, maar ze krijgt iets lacherigs van al die sterfgevallen. ’Vanmorgen zag ik al meteen dat ene bed weggehaald worden. Die zus moet nou met één kamer toe – kan ze die hele slaapkamer wel aan de stoeprand zetten, want dat krijgt ze er nooit in.’
Op de gang klinkenplotseling huilgeluiden. Een kind? ’Welnee, dat is een van die twee zussen, aan het eind van de gang. Die is een beetje hier.’ Mevrouw Taal tikt veelzeggend tegen haar voorhoofd. ’Die loopt de hele dag te roepen dat ze zo bang is. Hoor maar: ’Ik ben zo bàng’ – hoor je wel?’ Ze kweelt haar na: ’Ik ben zo bàng.’ En als je nou vraagt: ’Waar ben je dan zo bang voor?’ dan zegt ze: ’Ik weet het niet. Ik ben zo bang.’ De directie heeft overwogen of ze niet beter naar een verpleeghuis kan, maar ze hangt zó aan die zus – als je haar bij haar zus weghaalt, gaat ze misschien dood. En dat willen ze hier niet op hun geweten hebben.’
Ze staat op om een hoekje van de tafel te dekken voor het middageten, dat om twaalf uur wordt rondgedeeld. ’Weet je waar je eens moet gaan praten,’ zegt zij. ’Bij mevrouw Poelstra, hier schuin aan de overkant. Dat is zo’n goed mens; die weet het tenminste te waarderen dat ze hier zit.’ Ik weet het. Ik ben er geweest: een kort, zwijgzaam bezoekje. Mevrouw Poelstra is een goedmoedige, spinnende poes die hele dagen met haar breiwerkje in de leunstoel doorbrengt; alleen voor bonbons komt ze eruit. De dagen glijden door haar hand als de draden van even zovele kluwens wol, en als je haar vraagt: ’Hoe is dat nou, mevrouw Poelstra, om in zo’n verzorgingstehuis te wonen?’ dan zegt ze, nauwelijks luider dan het getik van haar pennen: ’0, heerlijk. Ik heb nergens omkijken meer naar.’ En haar lippen tellen verder, ritmisch en geluidloos als een zacht pompend hart.
Van de twintig deuren die de verdieping telt, blijven er sommige voor me gesloten: de bewoner is overleden en nog niet ’opgevolgd’, of de bewoner wenst simpelweg met rust te worden gelaten. ’Ga weg!’ piept een dame met ronde schrikogen als ze haar deur op een kiertje opendoet. ’Ik ben een zenuwenlijer, ik ben op van de zenuwen. Gaat u toch wèg.’ Eenzelfde vrees openbaart zich een paar deuren verderop, waar een heer mij via zijn brievenbus te verstaan geeft dat hij ’over vijf minuten bezoek’ krijgt. Als ik vraag of het morgen beter schikt, zegt hij flauwtjes: ’Nee, liever niet.’ Wanneer dan wel? ’Liever niet.’ Waarna het slot aan de binnenkant voor alle zekerheid maar wordt omgedraaid. Weer moet ik aan mijn grootvader denken, die de eenzaamheid van zijn kamertje verre verkoos boven de treurigmakende gezelligheid van een buurvrouw, die van tijd tot tijd een ’babbeltje’ kwam maken. Gèk werd die man van dat babbeltje. Maar het wordt nu eenmaal ’slecht’ bevonden – ook in dit huis geldt dat weer – als oude mensen zich te veel afzonderen van de rest. Een paar medewerksters zijn dagelijks actief om de mensen maar uit die kamertjes te krijgen. Dat lukt ze alleen bij enkele fanatieke breisters, omdat breien kennelijk leuker is als je het met z’n tienen rond een tafel doet. Maar de rest blijft hardnekkig waar die zit, en als de behoefte aan aanspraak te groot wordt, is er – althans bij de dames – altijd wel iemand op de gang bereid een kopje thee met je te drinken. En ten slotte: wie op z’n kamer blijft zitten, mist ook die enkele neef of kleindochter niet, als die per ongeluk mocht langskomen. En daar hoopt iedereen op, want uiteindelijk weegt nergens de eenzaamheid zo zwaar als in het kamertje in het bejaardenhuis. Wat dat betreft zijn degenen die elkaar nog hebben – echtparen, zussen – de echte spekkopers. Zij hebben eigenlijk niemand nodig – tot de wederhelft ’wegvalt’ natuurlijk, maar daar wil niemand van horen. ’Wij hebben geen van drieën kinderen,’ zegt mevrouw De Graaf, de jongste van drie in het huis wonende zussen, ’maar we zijn beter af dan de meeste mensen die wel kinderen hebben: wij zien elkaar elke dag.’ Haar ene zus woont recht tegenover haar, met uitzicht op het bos. Zelf heeft ze de straatkant, ’zodat we het kunnen afwisselen. We eten bij mij, omdat ik een grote tafel heb, en daarna gaan we bij haar zitten. Daar is het rustiger’. ’s Avonds kijken ze televisie bij zus nummer drie en dan is de dag weer om. Een paar deuren van de gezusters verwijderd, is Gerrie de eerste die zich voorstelt met haar voornaam. Ze heeft het best naar haar zin hier, ook al mist ze haar vroegere woonomgeving en ziet ze haar kinderen niet zo vaak. ’Ik ga goed om met mijn buurtjes, en de rest kan me niet zoveel schelen. Ik kan mezelf goed vermaken. Ik lees graag.’ Ze is een van de weinigen die zich in het huis een bijnaam heeft verworven: de pianiste .. Op maandagmiddag begeleidt zij het zangkoortje op de piano. ’Niet dat gedreun van Over 25 jaar, maar van die ouderwetse melodieën, waar de mensen tranen van in hun ogen krijgen.’ Ze doet spontaan voor wat ze bedoelt als mevrouw Taal aanklopt voor een praatje. ’Kom op, Nel, ons lievelingslied.’ Ze pakt de frêle voorzitster resoluut bij de heupen en samen schuifelen ze, op de denkbeeldige klanken van een lied, over de krappe centimeters tussen raam, bank en bed. ’Door ervaring moet je groeien,’ lacht Gerrie. ’Ja,’ zegt Nel, ’net als met pedicuren. Dat heb ik mijn leven lang gedaan en op het eind maakte ik die voeten steeds mooier.’ Ze tilt haar zwartgeschoeide, misvormde voeten van de grond. ’En moet je nu zien, wat voor voeten ik zelf gekregen heb.’ Ze heeft reuma. Haar vingers staan zo krom als de kruin van een passaatboom, maar Nel kan er niet echt mee zitten. ’Leven doe je niet met handen en voeten,’ zegt ze wijs. ’Leven doe je met je geest.’
Nels overbuurman lacht schamper als ik haar woorden citeer. ’Ik lees veel,’ zegt hij, ’en daar zou ik graag met anderen over willen praten, maar het interesseert ze niet. Leven doe je met je geest, laat me niet lachen! Alles wat ze hier doen is kaarten. Dat is voor mij zo’n ontzettend stomme bezigheid.’ De heer Van Dongen is de derde man die de etage rijk is. Zijn kamer ontbeert, net als die van meneer Prosman, de magic touch van een vrouwenhand. Twee oude stoelen, een tafel en een bed, met daarboven een jeugdfoto van zijn dochter. Veel boeken, geen televisie. ’Wilt u Nescafé?’ Hij zoekt op tafel naar een schone beker en verdwijnt naar het keukentje. Al rommelend vertelt hij: ’Ik heb spijt dat ik hier gekomen ben. Waar ik zat, zat ik goed, maar mijn kinderen vonden dat ik dichterbij moest komen wonen. Dat is het stomste dat je kunt doen: voor je kinderen gaan verhuizen. Ze komen je wel opzoeken, maar je hebt er geen dagvulling aan, begrijpt u? In dat andere tehuis zaten tenminste mensen met wie ik kon praten. Terwijl hier… Waar ligt dat nou toch aan, hè? Het is net of die mensen nooit naar school zijn geweest. Als je ook hoort wat voor taal ze spreken – dat moet dan Nederlandse Taal voorstellen; ja, zoals kleuters het spreken. Ik stel misschien te hoge eisen, maar het gaat eeuwig over het eten, de kinderen en de kleinkinderen. Dat hoor ik nou al jarenlang, dat geleuter. Ik ben het gewoon zàt.’ Hij had even gedacht dat het toch nog wat kon worden: twee jaar geleden werd er een gespreksgroep opgericht – net iets voor hem. Maar hij zag het al meteen: dat werd niks. De eerste keer kwamen er twee dames en een heer, de volgende keer was alleen de heer er nog en de derde keer zat hij er in zijn eentje. ’Ik had wel eens willen praten over de Franse revolutie, of over eenzaamheid. Maar dat vonden ze te moeilijk. Je bent kennelijk een eenling, als je je wilt blijven ontwikkelen.’ Zijn ex–vrouw zit ook in een verzorgingstehuis, een paar straten verderop. Ze zijn na veertig jaar huwelijk gescheiden. Misschien hadden ze dat beter niet kunnen doen, vindt hij nu. ’Wij hebben dat toen besloten, niet wetende dat je zo verrekte eenzaam kunt zijn op je ouwe dag. Nu denk ik: hadden we maar gewoon geaccepteerd dat ons huwelijk was zoals het was. Al die dingen waar ik me druk om heb gemaakt, mijn carrière, seks – daarvan denk ik achteraf: wat een kinderspel was het eigenlijk.’ Hij heeft haar een maand geleden gebeld om te zeggen dat hij liever een kamer bij haar in huis had. ’Dan verhuis je toch hierheen,’ zei ze. Maar een week later belde ze terug. Ze zag er toch wel tegen op dat hij zou komen; hij moest er maar vanaf zien. Hij bijt op zijn onderlip. ’Nou ja, dan maar niet. Als ze niet wil houdt alles op. Maar ik vind het wel erg: dat je veertig jaar bij elkaar bent geweest en dat je dan op zo’n manier moet eindigen. Allebei in je eigen hok, met niks dan vreemden om je heen.’

 

Spirituele reizen

Spirituele reizen
Schotland en Ierland zijn de meest magische landen van Europa. Een spirituele workshop en een zoektocht naar oersymbolen.
Nouveau, december 2002
Lees het hele artikel over spirituele reizen

Trudy Kunz ging naar het Schotse Findhorn voor een ’Workshop in Wonderen’

Als ik in het najaar van 2001 had aangekondigd dat ik ging scheiden of – pakweg – een borstvergroting liet doen, zou ik in mijn omgeving voor minder opschudding hebben gezorgd dan nu ik vertelde dat ik twee weken naar Findhorn ging. Ik moet erbij zeggen dat de meesten niet eens wisten wat het was, maar zodra het woord ’spirituele gemeenschap’ viel, gingen de wenkbrauwen omhoog: ik ging toch niet zweven, ik stortte me toch niet in een sekte, en waar was dit goed voor – ik was toch hopelijk niet overwerkt, depressief of anderszins van de kaart? Iemand die er wél van had gehoord, grapte: ’Findhorn? Dat is toch die plek waar zoveel energie in de grond zit dat er bloemkolen van één meter doorsnee groeien?’ Want ja, als het je niet wezenlijk interesseert, zijn dit de details die men onthoudt. Van degenen die het snappen, is er één die zegt: ’Astrologen weten al sinds de Oudheid dat een mens iedere achttien jaar opnieuw ’geboren’ wordt. jij bent drie maal achttien, je bent gewoon aan je derde wedergeboorte toe.’ En zo voelt het precies. Net als toen ik achttien was, woelen er opnieuw vragen in mijn binnenste naar de zin van het leven, de bedoeling van de Schepping en het hoe en waarom van mijn rol daarin. Vragen die mij in de boekwinkel regelmatig naar de afdeling religie, spiritualiteit en esoterie dwingen, die mij de ’Cursus in Wonderen’ hebben doen ontdekken en die me nu op het spoor van Findhorn hebben gezet.

In deze nederzetting aan een kleine baai in Noordoost Schotland wonen en werken zo’n driehonderd lieden op een wijze die zich grofweg laat omschrijven als ’afgestemd op de goddelijke aard van al wat leeft, groeit en bloeit’. Nu kan deze leefgemeenschap me eerlijk gezegd minder schelen dan de ruim tweehonderd cursussen die de Findhorn Stichting jaarlijks in de aanbieding heeft. Via internet maak ik een voorlopige keus en vraag de folder aan. Die ligt binnen een week in de bus. Weer valt mijn oog op de workshop ’Life Purpose’, die precies lijkt aan te sluiten bij mijn behoeften. Deze zevendaagse training, lees ik, ’leert je het doel van je leven begrijpen en helpt je ontdekken hoe je je ware aard kunt laten spreken in alles wat je doet’. Er kleeft slechts één minpuntje aan het geheel: wie voor de eerste keer een cursus doet, is verplicht daaraan voorafgaand een ’Experience Week’ te volgen. Vluchtig lees ik door wat dat inhoudt en besluit dat dat dan maar moet. ik neem wel wat extra boeken mee – is het niks, kan ik altijd nog lekker lezen.


Vervallen grandeur met kroonluchters

In de derde week van september, als de Westerse wereld nog in shock is over de aanslagen in Amerika, vlieg ik naar Glasgow. Van daaruit is het nog vier uur met de trein via Inverness naar Forres, een prachtige tocht dwars door de Schotse Hooglanden, waarbij ik voor het eerst een beetje ontspan na de schrik van 11 september. Een taxi brengt me in vijf minuten van Forres naar Cluny Hill College, een van de dependances van de Stichting op een half uur busafstand van de eigenlijke leefgemeenschap in Findhorn. In Cluny Hill, een gebouw dat in vroeger jaren als hotel dienst deed en dat een indrukwekkende, zij het ietwat vervallen grandeur uitstraalt, worden de cursisten gehuisvest en vinden de meeste workshops plaats. Ik heb een kamer aan de voorkant, met uitzicht op een parkachtig landschap en ben helemaal tevreden. Het gevoel dat ik goed zit neemt nog toe als ik even later op verkenning uitga. De eetzaal beneden is sfeervol en warm, met donkere lambriseringen, kroonluchters en lichte houten tafels en stoelen – de laatste bekleed met koningsblauw, dat in de kleurige vloerbedekking terugkomt. Het moet een feest zijn om hier te eten – vegetarisch, ook daar kan ik me nu al op verheugen.
Al die positieve opwinding ebt helaas een paar uur later weg tijdens de eerste bijeenkomst van de ’Experience Week’–groep. Zeventien mensen uit alle uithoeken van de aarde, overwegend vrouwen van wie de meesten jonger dan ik, zitten in een kring en stellen zich voor. Al na nummer drie bevangt me het paniekerige gevoel: wat doe ik hier? Wat moet ik met blije Ruth uit Toronto, die al een ’transformatie’ heeft ondergaan nog voordat de cursus is begonnen en ons met een hemelse glimlach vertelt dat er vanaf het moment dat ze zich heeft aangemeld steeds maar weer vlindertjes op haar schoot landen? Wat moet ik met verlegen Yuko, die helemaal uit Kyoto is komen vliegen om hier, dat weet ze zeker, ’really, really happy’ te worden? En met twijfelmoedige Helmut, een gescheiden vader van twee pubers die hier een half jaar geleden verliefd is geworden op een lid van de leefgemeenschap en zichzelf nu geestelijk probeert klaar te stomen om er ook te komen wonen? Waar ben ik in verzeild geraakt? Tot en met de theepauze blijf ik innerlijk in verzet, maar geleidelijk aan raak ik wat milder gestemd en in de loop van de avond, als de twee groepsleiders duidelijk over vakmanschap en humor blijken te beschikken, besluit ik dat ik hún in ieder geval een reële kans moet geven. Dan keert vrijwel onmiddellijk mijn positieve stemming terug en heb ik ook meteen mijn eerste les van deze trip te pakken – een bekende les weliswaar, maar toch: van weerstand word je niet wijzer dus waarom geef ik mezelf niet over? Laat het maar moeite kosten – je wilt toch dat het je iets oplevert?


Huishoudelijke dienst om aan de ziel te rammelen

Er staat van alles op het program, van mediteren tot sacraal dansen, van een strandwandeling tot een paar uur huishoudelijke dienst en van een rondje ervaringen uitwisselen tot een avondje ’lezing met lichtbeelden’. Soms verval ik in mijn oude weerzin, soms raak ik enthousiast en soms rolt er een traan over mijn wang van ontroering. Eén ding is in ieder geval zeker: er wordt hier voortdurend flink aan mijn ziel gerammeld. Geen uur gaat voorbij of ik loop wel tegen een onvermoede of oude vertrouwde trek in mezelf op. Zo ervaar ik weer eens hoe zwaar nederigheid mij valt als het op een avond mijn beurt is om in de eetzaal met een emmertje sop langs de tafeltjes te gaan. Aan de grote tafel in de serre zit een gezelschap leidinggevenden, voorzien van stapels paperassen, voor een bespreking bijeen en daar kom ik, schortje voor, met mijn spons tussen hun spullen boenen. Minzaam schuiven zij hun boeltje opzij zonder mij een blik waardig te keuren. Au, zo voelt dat dus, een onbeduidend werkstertje te zijn in de wereld van Belangrijke Lieden. Een paar uur eerder heb ik een twintigtal ramen gelapt, terwijl ik de dag ervoor een flink aantal wc’s en wastafels heb mogen schoon schrobben. Stuk voor stuk leerzame ervaringen voor iemand die, zoals ik, zo graag het Hogere nastreeft en daarbij het liefst doof en blind blijft voor ’het lagere’ – steeds weer vergetend dat zo’n hiërarchie van waarden een product is van het verstand en met spiritualiteit helemaal niets te maken heeft. Het gaat, wordt me hier weer eens ingepeperd, om de liefdevolle aandacht waarmee je het geringste klusje benadert: daarin ligt de zin, zoniet van Het Leven, dan toch van de persoonlijke bijdrage die je als nietig individu aan het universum kunt leveren.

Al poetsend en boenend realiseer ik me ook dat mijn leven de laatste jaren steeds meer in het teken van haast, haast, haast is komen te staan, waardoor ik nauwelijks meer van dingen kan genieten. Wordt het zo langzamerhand niet tijd hier verandering in te brengen? Ik zou kunnen beginnen mijn vrije tijd strenger af te bakenen. Prioriteiten stellen, vaker ’nee’ zeggen, alles in het werk stellen om meer rust en toewijding in mijn leven te brengen, want nu glipt het op een onverantwoorde manier tussen mijn vingers door.
Zo heb ik al heel wat winst geboekt nog voordat de eigenlijke cursus is begonnen. Tegen de tijd dat het zover is, is mijn energie even op een dieptepunt. De continue stroom nieuwe indrukken maakt dat ik slecht slaap en enerverende dromen heb. Bovendien heb je hier de godganselijke dag mensen om je heen – ik ben daar niet op gebouwd. Daar staat tegenover dat ik onder al die mensen inmiddels een Zwitsers echtpaar heb ontdekt waarmee ik het goed kan vinden. Het is fijn om zowel mijn aarzelingen als mijn enthousiasme met hen te kunnen delen. Ook zij zijn hier voor de workshop ’Life Purpose’.


Keer op keer de vraag ’wat wil ik werkelijk’?


Leer het doel van uw leven kennen in zeven dagen. Heb ik ook maar een moment serieus geloofd dat dat zou kunnen? Niet echt. Wel hoopte ik op nieuwe inspiratie en een bevestiging van het feit dat ik op de goede weg zit. Die krijg ik ook, en niet zo’n beetje. In een kleine groep van acht cursisten word ik via een vol programma naar de diepere lagen van mijn ziel geleid. We doen oefeningen, maken tekeningen, dansen, wandelen, schrijven, spelen en mediteren met als enig oogmerk de stem van ons Hogere Zelf (zoiets als intuïtie) beter te leren verstaan. Want daarin ligt natuurlijk de clou om tot een bevredigend leven te komen. Keer op keer worden we gedwongen stil te staan bij de vraag: wat wil ik werkelijk? Een aardige oefening daarbij is: beeld je in dat je nog maar een jaar te leven hebt en schrijf op hoe je die tijd wilt inrichten. Heel verhelderend! Ook spelen wij het Transformatiespel, waarmee we een hele dag tot laat in de avond zoet zijn. Net als bij een gewoon gezelschapsspel komen er dobbelstenen en een bord met vakjes aan te pas, maar verder houdt iedere vergelijking met ganzenborden op. Het gaat er niet om zo snel mogelijk het bord rond te zijn maar om, met behulp van allerlei kaarten die je onderweg trekt, meer inzicht te krijgen in je onbewuste drijfveren en blokkades. We spelen in groepjes van vier en in de loop van de dag vloeien er in het mijne heel wat tranen. Zo komt Nadine, mijn Zwitserse vriendin, er via een ’inzichtskaart’ achter dat haar zogenaamde warmte en hartelijkheid een keerzijde heeft: zij is wel in staat haar positieve gevoelens met anderen te delen maar de negatieve houdt ze voor zichzelf, zodat echte intimiteit nauwelijks een kans krijgt. Dat verklaart, beseft ze, voor een deel de toenemende kilte die zij in haar huwelijk ervaart. En zo confronteert het spel ons om beurten met die steeds terugkerende waarheid: de verantwoordelijkheid voor je leven en het geluk dat je daarin ervaart, ligt bij jou zelf en bij niemand anders. Natuurlijk is dat voor niemand nieuw, maar het is goed om zo’n les, die misschien wel de belangrijkste is die een mens kan leren, er hier zo consequent in gehamerd te krijgen. Mij sterkt het in ieder geval in de overtuiging dat de pijn, die de laatste tijd zo’n beetje mijn dagelijks brood is, op een toenemend bewustzijn duidt en dus wel degelijk zin heeft.
In het vliegtuig terug lees ik voor het eerst sinds veertien dagen weer een krant. De oorlog in Afghanistan is inmiddels een feit, de wereld is alwéér een beetje zieker geworden. Vreemd genoeg maakt het me nu eens niet machteloos. Reden te meer, denk ik bijna monter, om op die paar vierkante millimeter waar ik regeer steeds zuiverder te worden. Echter. Gewoner. Nog zorgvuldiger.

 

Hoeveel levens hebben we eigenlijk?

De grijze gang
Trudy Kunz op reïncarnatie–onderzoek.
Libelle, maart 1983
Lees het hele artikel over hoeveel levens hebben we eigenlijk?

De ’bovennatuurlijke’ verhalen van Trudy Kunz…

Trudy Kunz kent u waarschijnlijk al van haar vele Libelle–reportages over ’bovennatuurlijke’ verschijnselen. Bijvoorbeeld haar ’Trudy Kunz langs de waarzeggers’–verhaal (Libelle nr. 38 1981), waarin haar de meest bijzondere voorspellingen werden gedaan (en sommige kwamen nog uit ook!) Of haar gang langs allerlei spiritisten (Libelle nr. 28 1982), waarmee ze toen maar is gestopt, omdat ze opeens ’s nachts uit de slaap werd gehouden door griezelige klopsignalen. Kortom, Trudy is op dit gebied eigenlijk Libelles specialiste geworden en deze reportage over reïncarnatie is daarom een logisch – en interessant – vervolg.

Laatst was ik er weer eens: bij m’n ouwe trouwe waarzegster, mevrouw de W., uit een vorig Libelle–artikel. Sinds ik haar ontmoet heb, is het voor mij heel gewoon geworden om haar van tijd tot tijd even te raadplegen over mijn toekomst. Dat is prettig, want zo kom je nooit voor al te grote verrassingen te staan en dat spaart weer een hoop zenuwen. Ook deze keer pakte zij haar kaarten, keek in haar bol en stoeide met getallen. Als vanouds woonde ook overleden opa, als schim achter mij staand, de hele zitting bij. Alles oud en vertrouwd en zo langzamerhand gesneden koek. Totdat er iets gebeurde dat nooit eerder gebeurd was: in plaats van in mijn toekomst, keek zij plotseling in mijn verleden. Een verleden, bovendien, dat ik zelf niet eens kende. Om de simpele reden dat ik het niet had meegemaakt. Niet in dit, maar IN EEN VORIG LEVEN! ’Ineens,’ zei ze, ’zie ik jou met laarzen aan en een hoofddoekje om. In een Balkanland. In dikke sneeuw. Je hebt het erg koud. Dat moet een vorig leven zijn. Je hebt een vorig leven in Polen of Rusland gehad. Ja, nu hoor ik het: njet, njet, njet. Dat moet dus Rusland zijn. Arm kind. Je bent een arm boerenmeisje en je bent jong gestorven. Heel jong. Ik zie je water dragen uit een put. Je hebt heel lang haar. Donker haar. Steil. En zwarte ogen...’

Een vorig leven? Gelooft zij dan in reïncarnatie? Daar hebben we het nooit zo over gehad. Ja, natuurlijk gelooft ze in reïncarnatie, en na afloop van de zitting krijg ik bij wijze van huiswerk een stapel boeken mee die mij ervan moeten overtuigen dat reïncarnatie ’het enige logische antwoord is op alle levensvragen’. En als ik alles uit heb, moet ik maar weer terugkomen: ’Dan zullen we er eens uitvoerig over praten.’ Een maand later trek ik aan de bel.


’Daar was mijn overleden moeder. Ze zei: ’ga terug, je moet weer naar de aarde’’


’Ik geloof in een eeuwig leven,’ zegt mevrouw de W. ’Maar ik denk dat je dat alleen maar krijgt, als je op aarde hebt afgemaakt wat je af moest maken. Zolang dat niet gebeurd is, blijf je op aarde terugkomen om de dingen beter te doen. Volgens sommige reïncarnatiemensen heeft een mens elf levens, en het elfde leven is bepalend voor je eeuwige rust.
Er zijn zeven hemelen. Maar voordat je die zevende hemel bereikt moet je eerst al je fouten afleren. Dat lukt je niet in é´n leven. De oosterse dichter Inyat Khan zegt het ook: ’Eén leven is niet voldoende om te leren hoe je in deze wereld leven moet’. Uiteindelijk heeft iedereen gelijke kansen, maar niet hier. Die aarde van ons is een leerschool. Als je uitgeleerd bent, mag je in de zevende hemel voor eeuwig uitrusten. Het is in feite hetzelfde als wat de Bijbel zegt over het Laatste Oordeel.
Het gekke is alleen dat de meeste mensen lang niet zo vreemd tegen dat verhaal uit de Bijbel aankijken als tegen reïncarnatie. Ik heb het zelf meegemaakt hoe dat bij het Laatste Oordeel toegaat. Ik ben een keer bijna dood geweest. Ik had het gevoel dat ik door een lange tunnel ging. Ik zag alles en iedereen door elkaar heen lopen, en niemand deed elkaar wat. Leeuwen, tijgers, mensen. Er was een poort en een heel groot plein met een grote boom, een soort levensboom, stel ik me voor. Bij die poort stond iemand, net als bij de bioscoop, kaartjes te knippen. En hij stuurde de één die kant op en de ander die kant. Ik kwam toen ook mijn overleden moeder tegen, die tegen me zei: ’Ga terug, je moet weer naar de aarde gaan’. Ik wilde ook weer terug. Laat me toch weer leven, dacht ik, want ik wil nog zoveel voor de mensen doen.

Sommigen doen er een paar jaar over om te reïncarneren, anderen een paar eeuwen en weer anderen maar een paar dagen. Als je er een paar eeuwen over doet om weer terug te komen, heb je heel veel rust gehad. Dat is aan die mensen te merken. Ze hebben een enorme kalmte over zich, een enorme gelatenheid en wijsheid. Je hebt kinderen van twaalf, waarmee je over heel zinnige dingen kunt praten: die hebben een oude ziel. En je hebt mensen van zeventig, die nog steeds praten als een kip zonder kop: die zijn véél te vlug gereïncarneerd, hun ziel heeft veel te weinig tijd gehad om ’boven’ iets op te steken. Hoe jonger je sterft, des te vlugger wil je weer terug naar beneden en des te minder heb je dus van het doodzijn geleerd.
Ik ken een gezin waarin vier dochters niet getrouwd zijn. Ook geen vriendje gehad. Nooit. Dus vier vrouwen die geen van allen ooit gevrijd hebben of aan trouwen zijn toe gekomen. Hoe verklaar je dat? Ze hebben een reïncarnatiehoroscoop laten maken. Daarmee kun je, op grond van de gegevens uit dit leven, dingen uit je vorige leven te weten komen. Uit die horoscoop bleek dat ze alle vier in een vorig leven in een klooster hadden gezeten. In hun nieuwe leven waren ze op precies dezelfde voet verder gegaan. Alleen niet als non, omdat in hun nieuwe leven het idee om in een klooster te gaan niet zo voor de hand lag: ze waren opgegroeid in een milieu dat niet gelovig was.


’Hoe beter je leeft, des te minder vaak moet je terug naar de aarde’


Ik ben tot de reïncarnatiegedachte gekomen toen ik me begon af te vra¬gen: waarom wordt de één in een paleis geboren en de ander in een krottenwijk in India? Waarom heeft de een veel meer levenskansen dan de ander, krijgt de een z’n hele leven klappen en de ander nooit? Dat komt omdat de een iets goed te maken heeft uit een vorig leven en de ander juist verdiend heeft dat het deze keer meezit. Ik denk dat mensen die je nu dwarszitten of benadelen, in een vorig leven slachtoffer zijn geweest van wat jij hun aandeed. Als een vrouw in dit leven erg lijdt onder de wreedheid of ontrouw van haar man, heeft ze die man in een vorig leven misschien wel vermoord. Ik geloof inderdaad dat je in ieder leven je verdiende loon krijgt voor wat je in een vorig leven gedaan hebt. Anders is het voor mij onverklaarbaar dat mensen elkaar steeds maar weer de gruwelijkste dingen aandoen. Hoe beter je leeft, des te kleiner is de kans dat je nog een keer op aarde terug hoeft te komen. In de oosterse godsdiensten, waarin reïncarnatie een vast onderdeel is, noemen ze dat de ’wet van het karma’. Je karma is een soort optelsom van alles wat je in je leven gedaan hebt. Als je na een aantal levens zo goed bent geworden dat je geen karma meer hebt, ben je bevrijd van de verplichting om weer geboren te worden. Dan krijg je het eeuwige leven. Ik denk dat ik in mijn vorige leven zo te keer ben gegaan of zo verkeerd gehandeld heb, dat ik bereid was om er de volgende keer iets beters van te maken. Ik denk dat ik daarom mijn kunnen in dienst heb gesteld van anderen, en mijzelf heb weggecijferd. Met al die moeilijkheden die ik in mijn leven had, heb ik me lange tijd afgevraagd: Waarom toch? Ik heb toch niemand kwaad gedaan? Toen ben ik gaan nadenken en tot de conclusie gekomen dat reïncarnatie het enige logische antwoord was.


’Dat moedervlekje? Misschien bent u daar vroeger gestoken...’


Aan het eind van ons gesprek geeft zij mij een les mee: ik moet er veel over nadenken en veel over lezen voordat ik het idee van reïncarnatie kan accepteren. Misschien heb ik geen van beide nog voldoende gedaan, want ik kijk er nog steeds uiterst vreemd tegenaan. Bovendien vind ik een volgend leven bepaald niet iets om me op te verheugen. Ik heb het nu best, waarom zou ik dan nog een keer met een bochel, of als armoedzaaier, prinses, ellendeling of weeskind terug moeten komen? Voor mij hoeft het niet... of, wacht even, misschien ben ik dat allemaal al weleens geweest??? Als ik er op de een of andere manier achter zou kunnen komen wat voor levens ik achter de rug heb, zou ik een beetje kunnen schatten hoeveel vreugde of ellende me nog te wachten staat.

Aan de universiteit van Utrecht werkt een man, weet ik, die me misschien zou kunnen helpen: dr. Hans Cladder, een psycholoog die zijn patiënten onder hypnose terugvoert in de tijd en als het even kan tot in hun vorige levens.
Ik bel hem op, we maken een afspraak en ik stort me ter voorbereiding in een boek over reïncarnatietherapie. Daarin lees ik: Het is mogelijk iemand onder hypnose te brengen en hem terug te voeren in de tijd. Iemand kan op die manier details herleven van herinneringen aan het verleden, soms zelfs zo diepgaand, dat de huidige persoonlijkheid letterlijk jonger lijkt te worden. Op ’zesjarige’ leeftijd zal een gehypnotiseerd iemand zijn naam net zo schrijven als hij dat in de eerste klas deed. 0p ’vierjarige’ leeftijd zal hij een kinderlijk gebrabbel laten horen. Wanneer de personen worden teruggevoerd in de baarmoeder, ondergaan ze een gevoel van warmte en duisternis – sommigen nemen dan de foetushouding aan. De geboorte geeft pijnlijke herinneringen: ze wringen, kronkelen, hijgen, ze worden samengedrukt, gesmoord en komen kletsnat en ijskoud te voorschijn in een ’verblindend’ licht. En als ze teruggevoerd worden tot voor de geboorte, dan beginnen ze tot in de details over vorige levens te vertellen. Als die herinneringen worden gecontroleerd, blijken ze vrijwel altijd te kloppen. Ik kan niet zeggen dat ik na lezing van dit alles sta te popelen om zelf onder hypnose te gaan. Dus besluit ik om het met de heer Cladder voorlopig maar alleen bij een interview te houden.


’Ik geloof er niet in, maar het zou me niets verbazen als...’


Zelf geloof ik niet in reïncarnatie,’ zegt Hans Cladder, ’hoewel het me niets zou verbazen als ik na mijn dood zou ontdekken dat het wél bestaat. Je kunt je afvragen welke redenen er zijn om te geloven in vorige levens. Er zijn verschillende soorten onderzoek naar gedaan. Een Amerikaanse hoogleraar in de psychiatrie, Ian Stevenson, heeft allerlei kinderen onderzocht in culturen waar het geloof in reïncarnatie normaal is. Die kinderen beweerden zich hun vorige leven te herinneren. Hij is met ze teruggegaan naar de dorpen waarvan ze zeiden dat ze er in dat vorige leven gewoond hadden, en het bleek dat ze daar dingen over wisten – namen van straten, mensen, hoe hun geboortehuis er uit zag, enzovoort, die ze van tevoren nooit hadden kunnen weten. Het klopte echt in bijna alle gevallen. Je kunt met reïncarnatie waanzinnig veel dingen verklaren: angsten van mensen, talenten, geboortekentekenen – zelfs moedervlekken kun je ermee verklaren. Die tref je vaak aan op plekken waar mensen in eerdere levens gestoken zijn, verwond zijn geraakt. Je kunt ermee verklaren waarom iemand geniale talenten heeft. Een beroemde componist die op zijn zesde al muziekstukken schreef, heeft dat onmogelijk in die zes jaar kunnen leren. Het is veel aannemelijker dat hij in een vorig leven óók componeerde en in zijn nieuwe leven verder ging met zijn oude gaven. Ik heb eens een vrouw onder hypnose teruggebracht naar een leven in de middeleeuwen. Daarin had ze portretten geschilderd. In haar huidige leven had ze nog nooit een penseel aangeraakt. Maar na afloop van die sessie ging ze onmiddellijk doek en verf kopen, en in een mum van tijd maakte ze inderdaad de mooiste middeleeuwse schilderijen!’


’De meesten onder ons hebben zelf gekozen voor hun ouders’


’Als je mensen terugbrengt naar hun geboorte, kan meer dan de helft je vertellen waarom ze in deze tijd bij deze ouders en met dit doel geboren zijn. Er zijn ook mensen die niet bewust hebben gekozen – die zijn vaak heel ongelukkig, omdat ze niet weten wat ze moeten doen in dit leven. Degenen die wel met een bewust plannetje zijn teruggekomen vergeten dat, helaas, direct bij de geboorte. Daarom kunnen zij hun hele leven lang mislukkingen en misstappen blijven begaan – net als degenen die bij hun geboorte niet iets speciaals in hun hoofd hadden. Alles bij elkaar maakt de meerderheid van de mensen voortdurend fouten en verkeerde keuzen, precies zoals ze dat in vorige levens hebben gedaan. Dat gaat zo lang door tot ze er voldoende van geleerd hebben en een andere keuze maken. Je vindt mensen die leven na leven dezelfde partner uitkiezen. Totdat ze eindelijk een keer leren hoe ze met elkaar moeten opschieten. Kennelijk is dit een goede tijd om geboren te worden want er zijn meer levende wezens op aarde dan ooit in de geschiedenis. Er zijn dus veel zielen die het idee hadden dat er in deze tijd veel te leren valt.

Soms heb je ’wisselkinderen’: tijdens een ernstige ziekte veranderen die opeens helemaal van karakter. Reïncarnatie–aanhangers zeggen dan dat de ene ziel het lichaam heeft verlaten en de andere daarvoor in de plaats is gekomen. Die nieuwe ziel is sterker dan de oude en helpt het zieke lichaam er overheen. Er zijn verslagen van kinderen die voordat ze doodgaan aankondigen dat ze weer terug zullen komen. Ze zeggen van tevoren: ik kom weer terug en dat kun je daar en daar aan zien. En dat gebeurt dan ook. Ian Stevenson heeft dat soort gevallen onderzocht. Je kunt je leven dus kiezen: de voorwaarden, de omstandigheden, de tijd, je ouders, de plaats enzovoort. Je kunt kiezen voor een gelukkig leven, maar ook voor een leven vol tegenslagen, omdat je weleens wilt ervaren hoe dát is. Je kunt een probleem zien als de motor die je ontwikkeling als mens op gang zet. Je kunt elke moeilijkheid die je in je leven tegenkomt opvatten als een uitdaging waarvan je leren moet – als iets dat vanzelf verdwijnt op het moment dat je het geleerd hebt. Daarna sta je weer open voor nieuwe problemen die je helpen om je nog verder te ontwikkelen.

Het moment waarop een ziel in het lichaam treedt varieert. Soms is het tegelijk met de bevruchting, maar soms zweeft hij een tijd om de moeder heen en treedt pas een paar maanden voor de geboorte in. In een enkel geval gebeurt dat pas na de geboorte. Die ziel heeft dan geen zin gehad in het geboorteproces. En sommigen blijven na de geboorte een tijdje in– en uit–wippen, totdat ze merken dat moeder ervan schrikt en dan houden ze ermee op. Toch is dat op zich niets bijzonders. Er zijn genoeg gevallen bekend van zielen die het lichaam tijdelijk even verlaten en er later weer in terugkeren. Dat is het bekende verschijnsel van ’uittreden’. Tijdens een narcose gebeurt dat vaak. Achteraf vertellen die mensen dat ze zichzelf hebben waargenomen vanuit een hoek van het plafond – ze zagen zichzelf op de operatietafel liggen en hoorden wat de arts en de verpleegsters tegen elkaar zeiden. Ze konden dat haarfijn navertellen en het klopte precies. Er is een zanger geweest die geopereerd werd en de chirurg, die niet van zijn muziek hield, zei als grapje tegen de verpleegster: ’Nou houdt die slijmjurk in ieder geval een tijdje zijn mond’. Het effect daarvan was dat die man na die operatie niet meer zingen kon. Hij raadpleegde een hypnotiseur, die hem terugbracht naar het moment van de operatie. Hij hoorde de arts toen weer hetzelfde zeggen, waarna de hypnotiseur hem uitlegde dat het maar een grapje was en geen opdracht! Toen had hij zijn stem weer terug. Het is dus niet zo dat je onder narcose bent en dus niets waarneemt. Datzelfde geldt ook voor stervende mensen. Bewusteloos zijn betekent niet dat je niets hoort of ziet, niet geboren zijn betekent dat evenmin!
Ik heb wel eens een patiënte gehad die in haar vorig leven als Jodin in Amsterdam had gewoond en in de oorlog was omgekomen. Tijdens een sessie begon ze ineens jiddisch te praten, wat ze officieel, in dit leven, helemaal niet kon: ze was puur Limburgse en had niets joods in haar voorgeschiedenis. Onder hypnose bleek dat ze vrij snel na haar dood weer geboren had willen worden, en dat was ook gebeurd: in dit leven was haar geboortejaar 1946!’ Hans Cladder mag dan zelf niet in reïncarnatie geloven, voor de resultaten die hij met zijn ’regressieve hypnose’ vaak bereikt is dat niet belangrijk. ’Het gaat erom,’ zegt hij, ’dat je de klachten van je patiënten opheft. En in heel veel gevallen schijnen die klachten iets te maken te hebben met een angst of een pijnlijke ervaring in een vorig leven. Misschien is dat vorig leven fantasie. Misschien ook niet, wie zal het zeggen? Maar het werkt, en dat is voor mij, als therapeut, het belangrijkste.’


’Met elk leven word je wijzer, dat is toch heel hoopgevend?’


Ik weet het niet, ik wil nog niet, moet er nog over nadenken. Over een week mag ik terugbellen. Dan kan ik in die tussentijd nog even praten met Hans ten Dam, ook psycholoog, maar dan één die wel in reïncarnatie gelooft. Heilig, zelfs.
Voor Hans ten Dam is het bestaan van reïncarnatie een vanzelfsprekende zaak. ’Ik voel,’ zegt hij, ’dat ik in dit leven gekomen ben met een bepaald plan, een doel dat ik moet zien te bereiken. Uit vorige levens heb ik naar mijn gevoel krachten verzameld om in dit leven te gebruiken. Het doet er volgens mij niet zoveel toe of je één of meer levens krijgt: wat je in het leven wilt bereiken moet je in dit leven zien te bereiken. Het is niet echt bevredigend om het uit te stellen naar een volgend leven. je staat er nu voor, je hebt de drang in je om nu je doel te verwezenlijken. Het enige troostende van reïncarnatie vind ik dat je relaties met mensen niet ophouden als ze doodgaan. Je houdt dan het gevoel dat je ze later wel weer tegenkomt. Dat wil niet zeggen dat ik vrolijk naar hun begrafenis ga, want het blijft toch een hele scheuring. Maar het is een troost dat het niet ECHT onherroepelijk is. Het kan ook een troost zijn voor dingen die in je leven niet gelukt zijn.
Als je in reïncarnatie gelooft, wordt er met de dood minder afgesneden. Je krijgt in een later leven nieuwe kansen, denk je dan. Als een verhouding met iemand in dit leven niet gelukt is, kun je troost putten uit de gedachte dat je in een volgend leven nog een kans krijgt om haar wel te laten slagen. Het lijkt me eerlijk gezegd een handicap om niet in reïncarnatie te geloven: het is zo moeilijk om dit ene leven als zinvol te ervaren. Maar behalve troostend kan het ook belastend zijn. Als je bijvoorbeeld met iemand samenwerkt en dat loopt niet goed, waarbij je het gevoel hebt dat het al de zoveelste keer is dat het tussen jullie niet botert. Wat kun je eraan doen om die cyclus van mislukkingen te doen ophouden? Misschien kun je met opvoeding heel wat bereiken: een samenleving helpen scheppen waarin mensen anders, beter met elkaar omgaan. Waarin ze op sommige impulsen niet meer zo sterk reageren.
Als je deze tijd vergelijkt met een paar ee¬wen geleden... In de middeleeuwen namen de mensen hun kleine kinderen mee als uitje om te kijken naar een vierendeling, of een ophanging. Zo iets is nu toch ondenkbaar geworden? In de vorige eeuw nog kon je bij de poorten van Parijs kleine kinderen kopen, die je een beentje af kon hakken om ze in een wagentje voor je te laten bedelen. Uiteindelijk is de beschaving dus toch wel vooruitgegaan en leren de mensen in de loop van verschillende levens heel veel. Hoe meer ervaring je opdoet, dus hoe vaker je reïncarneert, des te wijzer en verstandiger je wordt. Dat is wel een hoopgevende gedachte, vind ik.’


’Wil je die man later als vader? Kies hem dan uit!


’In Amerika heeft een bekende psychologe, Helen Wambach, een uitgebreid onderzoek gedaan naar de vorige levens van een groot aantal proefpersonen. Ze bracht ze onder hypnose en ontdekte dat 51 procent ervoor heeft gekozen om in deze tijd geboren te worden. De rest zei: ’Het was gewoon tijd om weer naar beneden te gaan. M’n vriendin deed het ook, dus waarom zou ik niet meegaan?’ Want dat blijkt een van de voornaamste overwegingen om weer terug te komen: met wie je samen geboren wilt worden. Stel je voor dat er iemand is van wie je zegt: Daar ga ik het in mijn komende leven helemaal mee maken. Daar praat je dan mee en je gaat na wat je samen het grootste probleem vindt van de wereld waarin je straks geboren gaat worden. Je bekijkt waar je graag iets aan zou willen doen: het rassenprobleem, het gebrek aan begrip tussen volkeren? Als dat zo is, kun je bijvoorbeeld afspreken dat de één in Japan wordt geboren en de ander in Noorwegen. Dan moet je wel heel goed uitzoeken hoe je bij elkaar komt. Dat wordt een heel complot.
Maar omdat dat zo moeilijk is, gaat het zo vaak fout en lopen mensen elkaar in het leven mis. Het gemakkelijkste dat je met elkaar kunt afspreken is dat je elkaar herkent. Dat je een drang voelt om iets met elkaar te doen. Maar hoe komt die Noor bij die Japanner? Waarschijnlijk heeft die Noor z’n leven lang het idee: Japan, dat is iets voor mij, dat heeft iets. Hij wordt op de één of andere manier tot Japan aangetrokken. En omdat hij die onbewuste gevoeligheid heeft, gaat hij zich er steeds meer mee bezighouden. Op een gegeven moment gaat hij naar Japan. Maar dan is het natuurlijk nog een hele klus om elkaar tegen te komen. In Japan heeft die ander inmiddels interesse gekregen voor westerse talen en werkt als secretaresse op de Noorse ambassade. Als ze elkaar daar dan uiteindelijk ontmoeten, krijg je of liefde op het eerste gezicht, óf herkenning: een gevoel van vertrouwdheid, alsof je elkaar al jaren kent.
Een vriend van mij ontmoette zijn huidige vrouw op een feest met tweehonderd mensen in het buitenland. Hij vond haar meteen fantastisch, zij was wat minder enthousiast, omdat ze juist in die periode met zichzelf had afgesproken dat ze voorlopig niet op mannen zou ingaan. Maar tegen het eind van het feest krijgt ze een beetje genoeg van haar houding en als er dan iemand voorstelt om samen met een paar anderen nog een eindje te gaan rijden, zegt ze ja. Eén van die anderen is die vriend van mij. Ze gaan weg met zijn auto. De rest van de avond hebben ze totaal geen contact, maar als mijn vriend iedereen weer bij het feest heeft afgeleverd en alleen wegrijdt, rijdt hij door een kuil en verliest hij z’n knalpot. Hij gaat terug naar het feest om geld voor een hotel te halen – de enige die genoeg bij zich heeft om hem iets te lenen is... zij, z’n aanstaande vrouw. Later stuurt hij haar dat geld terug, doet er een aardig briefje bij, zij schrijft terug en van het een komt het ander. Binnen een paar maanden zijn ze getrouwd. Achteraf zeg je dan toch: Die twee hadden boven al een duidelijk plannetje gemaakt dat het later op aarde iets tussen hen zou worden.


’Afspraakje: ik wil jou later wel als dochter, kies jij me als vader?’


Als je met iemand van tevoren hebt afgesproken: Ik word je dochter en jij wordt m’n vader, dan zal die nog ongeboren dochter haar aanstaande vader op een gegeven moment op het idee brengen een kind te verwekken. Ze kan ook zorgen dat die vader haar verwekt bij een vrouw die ze van tevoren met hem in contact heeft gebracht en die daarna zijn echtgenote is geworden: die ziel vond dat een leuke vrouw om later als moeder te hebben. Er is een verhaal van een jongetje van zeven dat ineens tegen zijn ouders zegt: ’Pap en mam, weet je nog wel, toen ik bij God was, toen mocht ik mijn ouders kiezen. En toen ging ik overal kijken en ik zag een jongetje dat viool aan het spelen was en zijn snaar brak en hij deed zo zijn best om goed door te spelen, dat ik dacht: Ik wil dat dat mijn vader wordt’. Bij die vader was dat inderdaad gebeurd, toen hij elf jaar was. Hij had dat nooit verteld omdat hij het al weer vergeten was. Maar nu herinnerde hij het zich weer. Dat betekent dus, dat die ouderkeuze al had plaats gevonden toen de vader een jongetje van elf was!
Het gevaar van dit soort uiteenzettingen is alleen dat een kinderloze vrouw zich op een gegeven moment zou kunnen afvragen: is er dan niemand die bij mij geboren wil worden? Je kunt op die manier de meest griezelige redeneringen krijgen, zoals het geval van een vrouw van vijftig, van wie de man er met een jongere vrouw vandoor ging. Ze zei tegen zichzelf: ’Misschien is er wel een ziel die hem als vader wil en ik kan geen kinderen meer krijgen dus hij moet wel een jonge vrouw nemen’. Je kunt dit soort dingen net zo ziekelijk gebruiken als je zelf wilt. Je moet dus goed oppassen, als je zo’n theorie verkondigt. Wat wel duidelijk is, is dat de meeste mensen die geboren worden hun eigen ouders kiezen. En dat een belangrijke overweging daarbij is of het milieu een goede basis geeft om een bepaald beroep of een bepaalde bestemming te verwezenlijken. Om tot die ouderkeuze te komen word je altijd geleid en geadviseerd door wijzere, oudere zielen. Maar ook al heb je zelf je ouders gekozen, dan kan het in het leven nog best misgaan. Dat hangt ook af van de manier waarop je op elkaar reageert. En van hoe de tijd waarin je terechtkomt er uit gaat zien. Dat heb je niet in eigen hand. Ik denk dat niemand vrijwillig voor de omstandigheid kiest dat hij in zijn leven een oorlog meemaakt. Ik geloof ook niet dat het zo is dat iemand die iets ergs heeft ondervonden op aarde terugkomt om zich op dezelfde manier te wreken. Als iemand zijn zoon in de oorlog heeft verloren, wat schiet die er dan mee op om in een later leven als soldaat terug te keren en de zoon van een ander om te brengen? Dat is volslagen zinloos. De beste manier om de rekening te vereffenen is een leven te kiezen waarin je ervoor zorgt dat zo iets niet meer kan gebeuren. Dat je mensen beschermt, of goeie dingen voor ze doet. Ik heb mezelf onder hypnose in een vorig leven gezien terwijl ik bezig was in één of ander bivak een paar kerels de kop af te slaan. Ik kan niet zeggen dat het leuk was, maar het feit dat ik zelf gevoeld heb hoe het is om iemand in een bepaalde terreursituatie, als het echt noodzakelijk is, te doden, heeft ervoor gezorgd dat ik veel dingen in dit leven genuanceerder ben gaan bekijken. Ik beschouw mezelf als pacifist, maar nu walg ik veel minder dan vroeger van al die mensen die dat niet zijn. In weer een ander leven was ik iemand die in een akelige situatie een pijpje opsteekt. Terwijl ik op dat moment een fervente niet roker was! Maar die troost van dat pijpje… Het hele idee verdwijnt dan ineens dat het zo vreselijk belangrijk is aan bepaalde leefregels te voldoen. Er blijven een paar dingen over die echt belangrijk zijn: aandacht die mensen voor elkaar hebben, medeleven, zich inzetten voor iets of iemand. Al die dingen zijn oneindig veel belangrijker dan het eenvoudige feit of je wel of niet rookt of drinkt. Een ander heeft, om dat te beseffen, geen reïncarnatie–ervaringen nodig. Maar bij mij heeft het nu eenmaal zo gewerkt: ik ben tegenover heel wat dingen in het leven meer ontspannen komen te staan.’


Onder zeil


Het kan niet anders of ik zit aan het eind van mijn tournee toch bij Hans Cladder in de stoel – om het zelf te ervaren. Eerst laat hij me, ter geruststelling, nog wat video–opnamen zien van mensen die eerder bij hem onder zeil gingen. Niet dat dat zo bemoedigend is. Ik zie een vrouw bijna stikken van angst omdat ze in trance beleeft hoe ze in een vorig leven door de ratten werd opgevreten. In een ander filmpje zie ik een meisje dat haar leven lang niets aan haar hals had kunnen verdragen: ze droeg nooit kettinkjes of hooggesloten boorden en als iemand maar in de richting van haar hals wéés, dreigde ze flauw te vallen. Onder leiding van de heer Cladder gaat ze terug naar een vorig leven, waarin ze door een man gewurgd blijkt te zijn. Vandaar die angst, die na afloop van de zitting als sneeuw voor de zon verdwenen is.
Dan ben ik aan de beurt.
Ik hoop van harte dat ik in mijn vorige levens een beetje behoorlijk aan mijn eind gekomen ben, want ik heb weinig zin om in die stoel te gaan liggen creperen. Maar het valt mee. Ik sluit mijn ogen en de heer Cladder voert mij met zachte stem weg van deze wereld. Ik blijf weliswaar stappen op de gang en bromfietsen op straat horen, maar toch sla ik al gauw hardop aan het dromen: ik zie mezelf als jonge dienstmaagd de tafel dekken in het landhuis van een rijke heer die me voortdurend met hinderlijke liefkozingen belaagt, waardoor de vaart uit mijn werk gaat. ’En dan?’ vraagt Cladder, ’Wat gebeurt er dan?’ Niets. Ik zie een hele tijd niets meer, totdat ik mezelf ineens gewaarword met kortgeknipte haren aan een paal. Het tafereel speelt zich af op een plein met hobbelkeien, waarop een grote, joelende menigte zich verdringt om een glimp van mij, ellendige, op te vangen. Wat ik gedaan heb weet ik niet, maar het is niet veel goeds en het is niet voor niets dat ik aan de schandpaal mijn verdiende loon krijg. ’En dan?’ vraagt Cladder weer, ’Wat gebeurt er dan?’ Ik heb het koud en ik wil dat iemand mij losmaakt. ’En dan?’ Dan druipt de menigte eindelijk af en blijven er een paar goedzakken over, die me bevrijden en me meenemen naar de herberg, waar ik hete soep krijg.
’Waar is het? In welke plaats ben je?’
’Verviers,’zeg ik zonder na te denken.
’En hoe heet je?’
0 jee, geen idee.
Dan gaan we verder.
Ik verlaat Verviers en zie mezelf achtereenvolgens in een kerk, een vliegtuig, een brandend huis, een speeltuin en een stoeltjeslift. Waarna ik langzaam aan weer terugkeer naar de stoel, mijn ogen open doe en verbaasd ben dat ik niet één keer gestorven ben! Althans: niet op gruwelijke wijze, anders had ik het mij vast wel herinnerd.
Betekent dat dat ik mijn portie smarten nog te goed heb? Moet ik nog opgehangen of gevierendeeld? In DIT leven soms? ’Ach,’ zegt Cladder nuchter, ’je hoeft er toch niet in te geloven?’